Mechelen: woensdag, 24 juni 2026

Bij de Mechelse pompiers

1822 - 2014

Brandweerkorps van 't Arsenaal

In de 19e eeuw werd Mechelen het centrum van het Belgische spoorwegennet. De Belgische Staatsspoorwegen vestigden er vanaf 1835 hun centrale werkplaats, waar het onderhoud van de treinen gebeurde.

Deze werkplaats heette al snel het Arsenaal. De verklaring voor deze benaming ligt aan het feit dat een eerste voorlopig spoorwegatelier werd ondergebracht in het oude dominicanenklooster in de Goswin de Stassartstraat nabij de Edgard Tinellaan, dat sedert de Franse Revolutie omgevormd was tot infanteriekazerne en wapenarsenaal.

In 1839 richtte toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken Nothomb een pompierskorps van 41 man op in het Arsenaal te Mechelen (NMBS Centrale Werkplaats van de spoorwegen). Dit korps mocht ook in de stad optreden. Bij iedere grote brand die in de stad Mechelen uitbrak werd steeds een beroep gedaan, zelf tot vóór de Eerste Wereldoorlog op het brandweerkorps van het Arsenaal.

De brandweermannen werden vooral gekozen tussen bewoners in de omgeving van Hanswijk de Bercht. Bij brand of een ramp werden ze ’s nachts door de nachtwaker opgeroepen. Tijdens de dag kwam een portier hen verwittigen.

li

Eerste reorganisatie

Pas in 1859 publiceerde de stad Mechelen een nieuw reglement waarin naast de verplichte brandweerlieden bestaande uit stadsambtenaren, stadswerklieden en ambachtslui die geregeld voor de stad werkten, ook vaste vrijwilligers vermeld worden.

evrijwilDe ondervinding van verschillende branden in de periode vóór 1858 heeft bewezen dat de aangebrachte verbeteringen aan het materieel nog niet voldoende waren en dat er een definitieve regeling moest worden genomen.

Het gemeentebestuur voerde een eerste reorganisatie van het brandweerkorps door en een nieuw reglement werd gestemd. Het college was gelast met de uitvoering ervan.

Het nieuwe pompierskorps is voortaan gereorganiseerd en beter geëquipeerd, het bezit goed materieel en oefent regelmatig. Maatregelen werden genomen om zoveel mogelijk in geval van een ramp, doelmatig te kunnen optreden wat een vereiste is.

Aan de hand van art.30van het Brandweerreglement werd J.B Goossens aangesteld als bevelhebber van het vrijwillige korps.

Stad Mechelen, Reglement op de dienst der brandspuiten

Van het korps der pompiers.

De hulpmiddelen in geval van brand, gezien het art.78 der gemeentewet van 30 maart 1836, stelt het reglement op met volgende inhoud:

art.1 De dienst der brandspuiten van de stad is toevertrouwd aan een korps van pompiers samengesteld uit:

  • beambten die voor de gemeentedienst werken
  • meesters die gewoonlijk voor de stad werken
  • stadswerklieden
  • vrijwilligers

art.2 Het college van burgemeester en schepenen wijst de beambten en werklieden aan die deel uitmaken van het korps.

art.3 De meesters die gewoonlijk voor de stad werken zijn verplicht om het korps te dienen. Diegene die wegens ouderdom of ziekte niet meer bekwaam is om ziijn diensten te bewijzen moet zich door een familielid laten vervangen.

art.4 De aanstelling van de vrijwilligers wordt door het schepencollege gedaan.

art.5 Al de leden van het korps nemen schriftelijk de verplichting aan zich naar de voorschriften van het reglement te gedragen.

Graden en werkzaamheden

art.6 Het korps heeft:

vrijwillige korps
De vrijwillige pompiers in 1885 voor het stadhuis
  • 1 bevelhebber (J.B.Goossens)
  • 5 brigadiers
  • 30 pompiers
  • Een onbepaald aantal werklieden.
  • Alle benoemingen worden door het schepencollege gedaan.
  • De dienstkleding wordt door de stad geleverd en blijft haar eigendom. Ze bestaat uit een vest, een gordelriem met plaat en het stadswapen erop en een stormhoed in leder.
  • De overste is belast met; het algemeen toezicht van het materieel, het bevel over het korps en met onderrichting. Hij ontvangt zijn orders van de burgemeester of van een schepen afgevaardigd door de politie.
  • De brigadiers zijn bijzonder gelast en staan onder het bevel van de bevelhebber, zij zorgen dat de pompiers goed opgeleid zijn.
  • De pompiers zijn belast met al wat de dienst der brandspuiten betreft, de werklieden helpen de pompiers.
  • Alle leden van het korps moeten aan hun overste hun woonst bekend maken, de overste houdt een nauwkeurige adressenlijst bij.

De dienst

art.19 De dienst is belast met: oefeningen en theoretische onderrichtingen en nazicht van het materieel.

art.20 De oefeningen en onderrichtingen vinden alle maanden plaats, telkens twee uur, alle leden van het korps zijn verplicht hieraan deel te nemen.

art.21 De overste regelt de dienst en zorgt voor de bezetting van elke brandspuit.

art.22 In geval van brand, begeven alle pompiers zich onmiddellijk naar het brandspuithuis (kazerne), de overste zorgt dat hij daar altijd als eerste aanwezig is.

art.24 Naar mate de pompiers aankomen stelt de overste het volk voor elke spuit aan en begeeft hij zich ter plaatse van den brand, hij verlaat deze plaats niet vooraleer alles in orde is.

art.26 De pompiers plaatsen zich op hun post die door hun overste aangewezen is, zij werken en gehoorzamen in stilte, zij houden zich steeds aan spuit.

art.27 Na elke brand brengt de overste verslag uit aan het schepencollege.

art.40 De lokalen en al het materieel wordt door de stad geleverd. De schriften worden bijgehouden door een pompier of een stadsbeambte die het college zal aanstellen. Het Brand-Reglement op dato 25 februari 1822, wordt staande gehouden in alle schikkingen die niet tegenstrijdig zijn.

Dit werd vastgesteld in zitting van de gemeenteraad te Mechelen op 25 juni 1859.
Het werd ondertekend door de burgemeester-voorzitter, Frans Broers en de secretaris J.L.A. Rijckmans.

Materiaal

Bestaat dan hoofdzakelijk uit:

  • Een grote pomp met koperen brandspuit en slangen van leder met koperen verbindingsstukken, gemonteerd op een wagen met 4 wielen en 2 kisten, waarin alle slangen en ander gereedschap opgeborgen worden. Een aanhangwagen voor gelijke doeleinden.
  • Een pomp van een ander type, met supplementair dekzeil om daken en hooioppers te beschermen en een brandhaak, spaden, houwelen, enz.
  • Voor elk van deze pompen een karretje met waterton met een inhoud van 35 emmers. Twee brandladders die op deze karretjes gebonden worden en aan de kuipen en manden worden vastgemaakt.
  • Nog twee gelijkaardige pompen met gelijke toebehoren, van het oude type.
  • Een kleinere minder krachtige pomp op een wagen.
  • Drie kleine draagbare pompen voor schoorsteenbranden met koperen lansen en lederen slangen.
  • Een ladder van 8,5 m en 10 kleinere van 4 tot 6 meter.
  • Een reserve koperen spuit en brandhaken om muren om te trekken en 2 trechters.
  • 198 lederen brandemmers.
  • Nog enig materiaal bij de Kordewagenaars; 9 tonnen, 1 trechter en 12 emmers.
  • Aan het stadshuis stond nog een pomp die voor de watertoevoer diende.

Branden

Na de eerste reorganisatie van het pompierskorps in 1859 heeft het korps reeds 4 branden bestreden. In 1860 zijn er eveneens 4 branden in de stad waaronder een ontploffing in een gasfabriek. De daarop volgende jaren tot 1873 zijn er gemiddeld 3 branden per jaar.

Vanaf 1875 tot 1879 zijn dat er 5. In 1880 zijn er 9 branden geweest en heeft men een nieuwe voedingspomp aangekocht. In 1883 heeft de gemeenteraad een speciaal krediet toegestaan voor het aankopen van een uitschuifbare ladder van 14 m.

Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell