Mechelen: woensdag, 24 juni 2026

Bij de Mechelse pompiers

1822 - 2014

Waar rook is, is vuur

Het middeleeuwse Mechelen bestaat voornamelijk uit houten huizen waardoor het brandgevaar niet denkbeeldig is. Daarom moest bij het kleppen van de avondklok het haardvuur volledig gedoofd worden ofwel afgeschermd met een vuurklok of doofpot.

De angst voor brand was groot in een stad vol dicht opeen gebouwde houten huizen. In de nacht van 29 op 30 mei 1342 ontstond in Mechelen een brand die meerdere dagen duurde en meer dan de helft van de stad in de as legde.

Vuur is al van in de oudheid een vijand van de mens. Het bracht dikwijls grote schade aan. De mens heeft steeds getracht zich te beschermen tegen rampspoed door het nemen van maatregelen en organisatie. Daarom werden de brandweerdiensten opgericht, verzorgd door spuitgasten zoals ze vroeger genoemd werden.

sapIn sommige steden bestaat de brandweer al vele honderden jaren omdat het brandgevaar en de mogelijke schade er veel groter was. Denken we maar aan de grote brand van Londen op
2 september 1666, die een belangrijk deel van de stad verwoestte. Na 4 dagen bedroeg de vernietigde oppervlakte anderhalve bij anderhalve mijl, met 87 vernielde kerken en 13.200 uitgebrande huizen.

In Parijs bestond het (Corps des gardes-pompes de la ville de Paris) al in 1793. Toen de Oostenrijkse ambassade er in 1810 door een brand die 23 uren aanhield werd geteisterd, deed Napoleon Bonaparte een beroep op het Franse leger dat in Parijs gekazerneerd was.

Het was de eenheid (sapeurs) of ondermijners, die zich bezig hielden met het graven van tunnels en het ondermijnen van vestingen om die met springstof te vullen dat toen als blusmiddel werd gebruikt.

Bij Keizerlijk Besluit van 18 september 1811 werd het (Bataillon de sapeurs-pompiers de Paris) een speciale eenheid van het Franse leger opgericht. Sindsdien gebruiken de Franstalige landen wereldwijd de term sapeur-pompiers voor de brandweer.

Dichter bij huis kennen we een spectaculaire brand te Mechelen. Die ontstond op Sacramentsdag op 29 mei 1342 in de Adegemstraat. De stad bestond toen nog vrijwel geheel uit houten huizen en door een stevige wind verspreidde het vuur zich bliksemsnel. Het sloeg zelfs over de Dijle.

Vrijwel de gehele stad werd in de as gelegd. Het bestrijden van een brand was in vroeger tijden een zaak van de ganse gemeenschap. Bij een brand werden dan ook de bewoners van de stad samengeroepen om te helpen blussen.

Zo lezen we in het Brand-Reglement van de stad Mechelen van 22 mei 1807, art.15 dat elke burger verplicht is mee te helpen blussen indien er zich een brand voordoet in de stad.

Alle burgers hielpen mee

Een hele resem ambachtslui stoof naar de plaats van het onheil dat reeds was aangegeven door de torenwachters die de rode vlag op de Sint-Romboutstoren uithingen in de richting van de brand.

mech's Nachts gebruikte men daarvoor een lantaarn. De trompetters bliezen hun longen leeg, terwijl de brandklok begon te beieren.

Ondertussen hadden de burgers in de omgeving van de brand, kaarsen, lantaarns, olielampen ontstoken zodat de aanrukkende brandweer gemakkelijk de weg tot de plaats van het ongeluk zouden kunnen vinden.

Aan de huizen hadden de mensen reeds kannen, emmers, kuipen geplaatst en voorzien van water, voor zover ze die vlug konden vullen.

Water kon men halen uit de Dijle, de vlietjes, de bornputten en de verschillende handpompen die toen al volop dienst deden. De brandweer moest ondertussen hun mannen weten te verzamelen om zo snel als mogelijk op de plaats van de brand te geraken.

Er werd geld gegeven aan burgers om de pompen mee te helpen duwen. Immers een deel van de pompiers moesten emmers en ladders vergaren die op verschillende plaatsen in de stad opgestapeld lagen.
Eens ter plaatse gaf de opperbevelhebber, getooid met de rode veer op zijn muts, de instructies hoe er moest geblust worden. De brandslangen werden voorzichtig uitgerold en de bedienaars moesten zorg dragen dat die worsten, zoals ze dat toen noemden, niet in een knik lagen en goed aangesloten waren met de waterkuip.

Vanaf 1791 wordt er gesproken over spuiten-brandspuiten, zes in aantal, waarvan er twee in de Halle (stadhuis), één in het klooster der Minderbroeders, één in het Capucijnenklooster, één in het Predikherenklooster en één in de Academie staan.

Om deze brandspuiten te centraliseren heeft men geen vast personeel in dienst, vermits alle inwoners opgeroepen worden om ze zo snel mogelijk bij elkaar te hebben. Een speciale controleur en stadswerklui worden aangeduid om de leiding te nemen bij de blussingswerken.

Ambachtslieden

Moesten helpen bij het bestrijden van een brand. Alle hoveniers en voerlieden met hun paarden en karren moesten water aanbrengen met tonnen van bij de brouwers. De groep personen die zich als eerste aanbood voor het vullen van de brandspuit kreeg een premie van zes gulden (we zaten toen nog onder het Hollands bewind), de eerste voerman met kar en paard voor het vervoer van de pomp kreeg drie gulden. Een andere premie van drie gulden werd voor elk der twee eerste tonnen water die bij de brandhaard aangebracht werden, betaald.

Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell