Mechelen: woensdag, 24 juni 2026
In de 18e en 19e eeuw werden er brandemmers gebruikt om het water tot bij de brand te krijgen. Door het gebruik van stoommachines in de 20e eeuw nam de mogelijkheid van nieuwe industriële ontwikkelingen toe. Daarnaast werden er heel wat wetenshappelijke proeven ondernomen, dit leidde tot heel wat nuttige toepassingen. Zo kwam op het einde van de 19e eeuw een aantal blussystemen met beperkte omvang op de markt die het begin van een brand konden doven.
Het blussysteem (Hand-Grenade) bestond uit een glazen fles gevuld met een vloeistof. Door de fles in de brandhaard te gooien werd deze gedoofd, de eerste flessen waren gevuld met zout water aangevuld met natriumcarbonaat. Het zout in het water was belangrijk om bevriezing tegen te gaan.
Rond 1900 kwam een nieuw handig blusmiddel op de markt, dat snel populair werd, de poederblusser. Het was een eenvoudig toestel dat (zonder ervaring) door iedereen kon worden gebruikt. Het was buisvormig en bovenaan voorzien van een deksel met een oog.
Dit liet toe dat het toestel aan een haak gehangen kon worden, wat het voordeel had dat er in het geval van nood gewoon maar aan getrokken moest worden om het bedrijfsklaar te hebben en vervolgens het poeder met alle macht over het vuur te werpen.
Voor een schouwbrand volstond het om een er een handvol poeder in te gooien. Een groot voordeel van deze poederblusser was het gewicht. De glazen flessen wogen 10 á 20 kg. De poederblusser slechts 2,5 kg.
Men kon toen ook beschikken over een draagbaar blustoestel (Minimax), door het toestel op de grond te drukken werd er binnenin een patroon geactiveerd, zodoende had men een reikwijdte van wel 12 m om een vuurhaard te blussen.
De uitvinding van de stoommachine door de Engelsman James Watt bracht vanaf 1769 een echte industriële revolutie op gang. Dierlijke of menselijke spierkracht werd van dan af geleidelijk aan door stoommachines vervangen. De eerste brandspuit die door een stoommachine werd aangedreven, werd al in 1831 in Londen in gebruik genomen.
In 1886 kocht de stad Mechelen bij de Mechelse handelaar Kestenmont een stoombrandspuit aan. Mogelijk was dit toestel tweedehands. De stoomspuit was op iets meer dan tien jaar een onmisbaar instrument geworden.
De wens van kapitein Hertsens werd ingewilgd want op 5 oktober 1897 bevestigde de firma Beduwé namelijk de bestelling van een nieuwe stoomspuit. Op 7 april 1898 had het schepencollege Corneel Baroi en Henri Verberdt aangesteld als machinisten-stokers voor de stoombrandspuit. Zij ontvingen een loon van 800 Bf. per jaar.
Over de eerste stoombrandspuiten in België is weinig informatie terug te vinden, al is zeker dat in de 19eeeuw diverse korpsen over een dergelijke stoombrandspuit beschikten. Zo voorzag de gemeenteraad in Antwerpen in 1866 een buitengewoon krediet van 1.770 Bf. voor de aankoop van een stoombrandspuit.
Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell