Mechelen: woensdag, 24 juni 2026
Naar het einde van de 19eeeuw toe ging men, door het groeiende nationalisme en militarisme, en naar analogie met de gewapende Burgerwacht denken aan een gewapend pompierskorps. De wetgever bepaalde zelfs dat, op vordering van de gemeenteraad, de pompiers aan de Burgerwacht konden worden toegevoegd. In dat geval stonden zij onder het bevel van de commandant van de Burgerwacht.
Belle Epoque
Zoals bekend bracht het ten top gedreven nationalisme van de Belle Epoque ook een extreem militarisme met zich, hieruit vloeide de Eerste Wereldoorlog uit.
Als Brussel vanaf 1800 beschikte over een korps van politieagenten-brandweerlieden waarvan een gedeelte in een kazerne ondergebracht was, dan was dat onder de rechtstreekse invloed van de stad Parijs die zijn brandweer op militaire voet inirichtte.
Zo had men in België, tot aan de ontbinding van de Burgerwacht in 1914 twee soorten brandweerkorpsen.
Enerzijds was er de vrijwillige brandweer binnen de Burgerwacht (compagnie/peloton de sapeurs-pompiers volontaires) en anderzijds de gewapende gemeentelijke brandweerkorpsen (corps de sapeurs-pompiers communaux armés).
De korpsen van het tweede type werden georganiseerd volgens art.128 van de gemeentewet van 30 maart 1836.
Deze wet heeft de tendens bekrachtigd door officieel aan de gemeenten toe te staan dat ze mochten kiezen voor een gewapende of ongewapende brandweer.
De gewapende brandweer maakte het mogelijk de financiële problemen te boven te komen, die eigen zijn aan de oprichting van een brandweerkorps, want hij werd rechtstreeks gesubsidieerd door het Koninkrijk, het geen verklaart dat de gewapende brandweerlieden in de regel beter uitgerust waren dan hun collega's die niet gewapend waren.
In feite waren de gewapende brandweerlieden verplicht tot aanvullende taken, zoals het handhaven van de openbare orde. Brussel, Antwerpen, Luik, Gent, Oostende en ook Mechelen zullen dit systeem kiezen, door de Wet van 31 december 1963 werd dit systeem officieel afgeschaft.
Herinrichting
In het verslag van 14 juli 1891 aan de gemeenteraad van de stad Mechelen vanwege de
bijzondere commissie betreffende de herinrichting van het pompierskorps, lezen we het volgende.
De leden van de commissie zijn het eens om u voor te stellen de huidige inrichting volkomen af te schaffen en te Mechelen een korps van gewapende pompiers tot stand te brengen, wiens instelling bij KB zou bekrachtigd worden.
Dit stelsel was reeds in voege in Schaarbeek, Doornik en Dendermonde en functioneerde goed. In al die steden vormen de pompiers als het ware een keurkorps, dat zich niet enkel onderscheidt door zijn manhaftige houding, maar ook door het bestrijden van rampen, zij kregen alle lof van de inwoners.
Op 10 augustus 1894 wordt in Mechelen een gewapend brandweerkorps van vrijwilligers tot stand gebracht. Dit korps staat onder het gezag van de burgemeester.
Het is belast met de dienst der brandweer en kan ter zelfde titel als Burgerwacht opgeroepen worden voor het handhaven van de orde.
Het korps is samengesteld uit ten hoogste 100 man, kaders inbegrepen. De ene is belast met de dienst der brandspuiten en de andere met orde-en politiediensten.
Zodra er in de stad een brand was, werden de pompiers onmiddellijk verwittigd bij middel van elektrische bellen.
De pompiers moesten ook gewapend optreden tijdens feesten en plechtigheden, maar zij konden ook ontboden worden voor schermutselingen en opstootjes waarvoor de toenmalige Burgerwacht niet werd opgeroepen.
Vrijwillig
De argumentatie terzake in het verslag van de Bijzondere Commissie ter voorbereiding van de oprichting van dergelijk korps in 1891 was zeer spitsvondig. Werklieden werden nog steeds toegelaten en de werving geschiedde onder de meesters, voornamelijk uit de bouwnijverheid.
Voor hun aanwezigheid werd dan in ruil bij voorkeur het stadswerk toevertrouwd, want het Mechels korps is een vrijwilligerskorps en de brandweermannen werden niet betaald.
In het reglement goedgekeurd door burgemeester Frans Broers op 28 juni 1894 stonden heel wat artikels die heel belangrijk waren voor de pompiers, twee ervan waren nl. art.33 en art.34, waarvan volgend citaat:
art.33 Het is aan de pompiers verboden zich buiten hogervermelde gevallen hetzij afzonderlijk of gezamelijk in tenue en gewapend te vertonen, zonder uitdrukkelijke toelating van de burgemeester. In geval van overlijden van een lid van het korps is het toegelaten de afgestorvene de militaire eer te bewijzen, dit is echter niet verplicht.
art.34 Het is aan de leden van het korps verboden gezamelijk de stad te verlaten zonder toelating van de burgemeester. In dergelijk geval zal er altijd een sectie van ten minste 10 man in Mechelen moeten blijven om desnoods in de eerste noodwendigheden te voorzien.
1895 - 1912
Het gewapend korps is ondertussen één jaar opgericht en heeft ondanks de moeilijke taken die er mee gepaard gingen ondertussen grote vooruitgang geboekt. In 1895 werd de wacht ondergebracht in de Hallestraat.
De Mechelse pompiers kregen toen ook een nieuw praktisch uniform. Gedurende het eerste jaar zijn er 19 oefeningen geweest, waarvan 1 wapenschouwing; deze hebben bewezen dat de manschappen goed getraind zijn en dat de wapens goed onderhouden waren. Onder leiding van luitenant Gauthier werden de oefeningen op een vlotte manier afgewerkt.
Dankzij de nieuwe elektrische bellen die in werking werden gesteld op 16 december 1895, gaat de alarmering veel sneller. Lees verder ...
Er werden enkele belangrijke wijzigingen aangebracht aan het reglement van het korps der Vrijwillige Pompiers.
Er werd een tweede dokter benoemd en de verplichting voor de pompiers tot het aankopen van een galakledij werd afgeschaft, dit zou het korps toelaten het ledenaantal te vergroten.
Kapitein-bevelhebber Alfons Hertsens krijgt het burgerlijk ereteken van 2e klas. Bij KB van 30 maart 1898 werd het ontslag van luitenant Gauthier aanvaard.
De bestuursraad is samengesteld uit: de burgemeester, de stadsbouwmeester, 2 gemeenteraadsleden, de heren Wijckmans en De Vos, de officieren van het korps, één onderofficier d.d schrijver, een korporaal en 2 pompiers.
Er waren in deze periode 11 branden in de stad. Op 31 juni 1901 telde het korps: 5 officieren + 63 onderofficieren, korporaals en manschappen, een totaal van 68 leden.
Er was 1 stoompomp beschikbaar (die gebruikte ze al sinds 1886), evenals 3 handpompen, 900 m aan persslangen, een uitschuifbare ladder, een dienstkar voor het vervoer van de manschappen en gekwetsten.
Het korps bestond op 30 juli 1912 uit: 5 officieren + 55 manschappen. Er werden dat jaar ook 5 branden bestreden en 50 schouwburgdiensten bewaakt.
Werklieden werden nog niet toeglaten in het gewapend korps en de werving geschiedde onder de meesters, voornamelijk uit de bouwnijverheid. Zij kregen in ruil bij voorkeur het stadswerk toevertrouwd, want het korps bestond uit vrijwilligers en de brandweermannen werden niet betaald. In 1895 werd de wacht ondergebracht in de Hallestraat. Vanaf 1919 werden er arbeiders aangeworven.
In het begin oefende het korps nog met de wapens van de Burgerwacht die ze ter beschikking stelde. In de loop van de maand september 1896 zijn er door het ministerie van Binnenlandse Zaken 96 geweren en een onbepaald aantal sabels geleverd vanuit het Centraal Arsenaal der Vesting in Antwerpen voor het brandweerkorps. In 1911 werden deze geweren ingeleverd en vervangen door nieuwe. In dat zelfde jaar werd de beslissing genomen om een eerste stoombrandspuit aan te kopen.
Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell