Mechelen: woensdag, 24 juni 2026
In 1822 spreekt het Brandreglement van 5 grote spuiten, de eerste drie werden bediend door tien spuitgasten onder leiding van 2 vaste bestierders, de laatste twee door twee spuitgasten en twee bestierders. Verder was er een niet gespecifieerd aantal kleine spuiten aanwezig.
Uit een openbare aanbesteding blijkt dat het materiaal van de brandweer in 1808 bestond uit een set van 2 stuks, nl een brandspuit op een wagen met bijhorende kuip. Verder de nodige brandslangen, emmers, ladders enz...
Op 6 oktober 1808 wordt ingevolge een openbare aanbesteding door burgemeester Jean Joseph Vermylen-Neeffs (1770-1836), het onderhoud van de blusapparatuur toegewezen aan Pierre Seresia, lood-en tingieter voor de som van 2.000 Bf.
Dit materiaal bestond toen uit:
Al deze tuigen moesten geregeld geschilderd worden met 2 lagen olieverf voor zover ze in hout zijn, ook de emmers. Maandelijks werd het materiaal geïnspecteerd, de koperen of ijzeren voorwerpen werden met olie ingesmeerd, de houten met potlood.
De lederen brandslangen werden met walvisvet ingesmeerd om soepel te blijven. De ondernemer moest tevens een salaris uitbetalen van 150 Bf. aan de directeur-dienst-brandpompen en aan zes spuitgasten elk 75 Bf. Bovendien moest hij ten allen tijde beschikbaar zijn.
Brandhaken werden nog steeds zoals vroeger gebruikt om muren of daken neer te halen. Tonnen en kuipen werden bij de brouwers gehaald en vervoerd door hoveniers, werklieden en mestrapers met paarden en karren.
Een inventaris opgemaakt in 1859 geeft ons een vrij volledig beeld van het brandweermateriaal in die tijd.
1885 In de gemeenteraad wordt een krediet van 450 Bf. gestemd voor de inrichting van een apart lokaal voor de brandspuit van het korps van Nekkerspoel. Twee jaar eerder had men voor 1.535 Bf. een gelijkaardig lokaal bij de Stadshallen (stadhuis) ingericht.
1886 De stad koopt bij de Mechelse handelaar Kestemont een stoomspuit aan. Het is niet bekend van welk atelier deze machine afkomstig was, maar er bestaat een grote kans dat zij uit de werkplaatsen van J.Beduwe te Luik kwam, de grote specialist in die tijd. Enkele jaren later gaat men over tot de vernieuwing van het bijhorend materiaal en worden er 500 m brandslangen en de nodige koperen raccords aangeschaft.
1893 Er wordt een ingewikkeld systeem van elektrische alarmbellen aangelegd dat de brandweerlieden verbindt met het politiebureau, zodat zij snel kunnen gewaarschuwd worden.
Zodoende zijn we dan aangeland bij de periode van het Gewapend korps van Vrijwillige Pompiers in 1895. Daar er een goede organisatie en een even efficiënte bediening van het materiaal mag verwacht worden, worden de laatste resten van artisanale brandbestrijding zoals uit de tijd van het Ancien Regime opgeruimd. De kordewagenaars die ondanks de afschaffing der ambachten in de Franse tijd, blijven verder bestaan, hun traditionele functie van waterdragers bij brand blijven ze vervullen, ze worden nu verzocht hun materiaal in te leveren, nl 4 vaten, 10 brandemmers en 2 trechters.
1898 De pompiers krijgen een gloednieuwe stoombrandspuit uit het atelier Jos.Beduwe et Fils te Luik en 500 m nieuwe brandslangen (diameter 70 mm) geleverd. Deze brandslangen waren al geruime tijd uit linnen vervaardigd in plaats van uit leder zoals vroeger. Vervolgens duurde het een hele tijd vooraleer nieuw materiaal werd aangekocht.
1911 Intussen is de uitrusting der brandweerlieden, in functie van hun gewapend karakter uitgebreid. Er worden 96 geweren en een onbepaald aantal sabels geleverd vanuit het Centraal Arsenaal der Vesting te Antwerpen.
Na de Eerste Wereldoorlog werd een autopomp aangekocht, wanneer is niet bekend. Feit is dat ze in 1932 moest hersteld worden.
1939 De brandslangen en raccords worden vervangen en er wordt een draagbare motorpomp aangeschaft.
1925 Er zijn over heel de stad Mechelen 1.220 brandkranen op de waterleiding aangesloten. De brandweer beschikt over 1.200 m slangen. Er zijn 12 lansen, 12 ladders en verder al het nodige materieel.
Vòòr de Eerste Wereldoorlog telde het korps gemiddeld 70 leden, in 1925 zijn er nog slechts 26 pompiers, de bevelhebber inbegrepen.
1938 Het materiaal bestond uit 1 motorspuit met tweetaktmotor Wasterlein met een debiet van 1.000 liter/min, 1 autopomp-Delahaye 18x24 PK, met een debiet van eveneens 1.000 liter/min.
Er was 1 mechanische ladder van 14 m lengte, 1 schuifladder van 7 m, een haakladder van 2,5 m en 9 gewonen ladders.
Verder waren er; 1 rookmasker, 2 handhaspels, 1 haspelauto, 2 transportauto's, een springzeil en enkele reddingstouwen.
De bevelhebber in die periode was Kapitein Jacques De Coster
1941
De stad wordt verplicht een aantal auto's
van de Duitse bezetter over te nemen, waarvan er onmiddellijk enkele voor de brandweer worden bestemd. Een jaar later worden 2 Pyrenne-blusapparaten voor auto's en 4 Dräeger gasmaskers aangeschaft. Deze maskers bevinden zich
nog steeds in onze museumcollectie.
1942 Er wordt een slaapgelegenheid met bedden ingericht in het brandweerlokaal.
1945 In juli verkoopt men 1 Citroën van de Duitsers, en worden 3 wagens model Bedford aangeschaft. Wat betreft de kledij en uniformen kon men het volgende vaststellen. Voor zover uit de reglementen en andere documenten kan opgemaakt worden was nauwelijks van specifieke kledij sprake vóór 1895. In het reglement van 1822 wordt gesproken over lederen mutsen met het nummer van de spuit erop afgebeeld. De pompier die de spuit bediende was dus zo herkenbaar.
De opper-brand-spuit-meester draagt een rode pluim als onderscheidingsteken. Het brandweerkorps van het Arsenaal had een vrij ingewikkeld systeem van onderscheidingstekens uitsluitend bestaande uit verschillende armbanden in zijde of leder met of zonder zilveren opstiksels.
Wat betreft het brandweerkorps van de stad blijft het enige onderscheidingsteken, namelijk de lederen muts, die tot 1895 gedragen werd. Het reglement van 1895 spreekt desbetreffend nergens van.
Zoals te verwachten brengt ook hier de oprichting van het Vrijwillig Gewapend korps in 1895 de grote doorbraak. Nu worden er namelijk 2 uniformen ingevoerd.
Een werkkledij voor rekening van de stad en een grote tenue of prachtkledij op kosten van de leden, maar gedeeltelijk gefinancierd uit een daarvoor speciaal bestemde spaarkas, de zogenaamde kleding massa.
De bewapening der officieren was voor hun eigen rekening, die van de manschappen werd door de stad geleverd.
Over aard en kwaliteit van de werkkledij licht ons het Lastenkohier voor de aanbesteding van het leveren en maken van kledingstukken der gewapende pompiers van Mechelen uit 1895 ruimschoots in.
In 1938 liep de gewone begroting op tot 67.000 Bf. Er waren hulpovereenkomsten afgesloten met de volgende randgemeenten: Hever, Hombeek, Leest, Bonheiden, Rijmenam, O.L.Vrouw-Waver en Walem.
Deze gemeenten betaalden daarvoor gezamelijk 4.500 Bf. per jaar. Bovendien kon de hulp gevraagd worden van het pompierskorps van het Arsenaal en dat van de Stedelijke Maatschappij: De Vrije Woonst.
Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell