Mechelen: woensdag, 24 juni 2026

Bij de Mechelse pompiers

1822 - 2014

Orde & tucht

Daar de tucht of de orde de macht uitmaakt van alle gewapende korpsen, is het van belang dat elke overste welke ook zijn graad mag zijn een strenge gehoorzaamheid vraagt van al zijn manschappen. Het is de bedoeling dat alle bevelen snel, stipt en zonder tegenspraak uitgevoerd worden. Er mogen nooit opmerkingen gemaakt worden. Een lid van het korps, zelfs buiten de diensturen moet in alle omstandigheden ontzag tonen aan zijn oversten, de burgemeester en de stadsoverheden.

De leden van het korps in uniformkleding moeten zich gedragen naar alle voorschriften in gebruik bij het leger. Hieronder vallen de begroeting en eerbewijzen aan het Heilig Sakrament, aan hun oversten, aan het leger, aan de gemeente of provinciale overheden en aan de leden van andere pompierskorpsen.

li
img1
Blussen van een houtopslagplaats
img2
Leden van het muziekkorps in de Kruidtuin
img3
Oefeningen op de Grote Markt aan het stadhuis

Onafhankelijk de straffen beschreven bij art.9 van het reglement van het korps, zullen de onderofficieren, korporaals, klaroenen en vrijwillige pompiers de volgende straffen kunnen oplopen:

  • Een berisping zonder verdere vermelding in het register voor nalatigheid aan de tucht. Deze straf wordt uitgesproken door de kapitein-bevelhebber of zijn plaatsvervanger
  • Een geldstraf van 0,25 Bf. tot 9 Bf.

regAlle straffen worden op de volgende wijze toegepast:

  • Een boete van 0,25 centiemen
    • Aan diegenen die zich aanbieden op een vergadering of oefening als de naamafroeping reeds is begonnen
    • Een lid dat het stilzwijgen in de gelederen niet kan opbrengen
  • Een boete van 0,50 centiemen aan diegenen die zich te laat aanbieden op de naamafroeping (het appel)
  • Een boete van 0,75 centiemen aan diegenen die niet aanwezig is op een theoretische les of schouwburgdienst
  • Een boete van 1Bf. wordt opgelegd aan:
    • Diegenen die zich niet in de correcte kledij aanbieden, dus zonder tenue
    • Een lid dat zich aanbiedt met een wapen, uitrusting of andere kledij dat in onzindelijke staat of slecht onderhouden is
    • Aan diegenen die twee uur na de wapenoefeningen, theoretische of praktische oefeningen, wapenschouwingen enz. nog in uniformkledij rondlopen. Uitgezonderd op de dagen van de gemeentefeesten
  • Een geldstraf van 1,50 Bf.
    • Aan diegenen die afwezig zijn op een wapenoefening
    • Aan iedereen die de gelederen of hun dienst verlaten zonder toelating
  • Een geldstraf van 2 Bf.
    • Aan diegenen die niet aanwezig zijn op een wapenschouwing
    • Iemand die van woonst veranderd zonder de kapitein-bevelhebber te hebben verwittigd binnen de 24 uur
  • Een geldstraf van 5 Bf.
    • Aan diegenen welke in geval van oproeping of rekwisitie van het korps volgens art.105 van de wet van 1836, niet op een vergadering aanwezig zijn
    • Aan diegenen die zich niet naar de plaats van interventie begeven of daar weigeren de bevelen uit te voeren
    • Aan diegenen welke in uniformkledij zich misdragen in het korps of minachting tonen

De geldstraffen van 0,25 centiemen tot 1 Bf. mogen toegepast worden door de officieren en door elke dienstoverste. Elk lid dat een boete krijgt kan zich beroepen bij de kapitein-bevelhebber.

De hogere geldstraffen zullen niet uitgesproken worden de kapitein-bevelhebber of zijn plaatsvervanger. De leden die een boete ontvangen kunnen er zich op beroepen bij de bestuursraad.

Elke overste die geen verslag opmaakt aan iemand die een overtreding begaat kan berisp worden. De boete kan alsnog verdubbelt worden.

De geldboetes moeten binnen de veertien dagen voldaan zijn, tenzij er beroep is tegen in gegaan. Dit moet gebeuren binnen de acht dagen na de beslissing van de kapitein-bevelhebber of van de bestuursraad.

Het lid dat binnen de voorgeschreven termijn zijn boete niet voldaan heeft, zal hiervoor aan de bestuursraad aangeklaagd worden.

De opbrengst van de geldstraffen zal gebruikt worden volgens beslissing van de bestuurssraad en goedgekeurd door de schepencollege.

De vragen tot ontslag van dienst moeten schriftelijk en met geldige reden gedaan worden aan de bevelhebber. Dit moet gebeuren minstens één dag voor de vergadering.

Daags voor iedere vergadering of oefening zal de geneesheer van het korps gedurende twee uur zich beschikbaar stellen om de leden van het korps medisch te onderzoeken.

Hij kan een huisbezoek brengen aan elk lid van het korps dat zich ziek meldt.

De toelatingsbewijzen (permissen) moeten vóór de naamafroeping aan de sergeant-majoor afgegeven worden.

Het lid dat niet aanwezig is op de plaats van een brandinterventie of niet opdaagt op een bijeenkomst, moet dit rechtvaardigen binnen de 24 uur. Als deze termijn overschreden wordt zal er een geldstraf toegepast worden voor elk uur dat hij niet aanwezig was.

Samenstelling van het gewapend korps in 1913

  • Hertsens Alfons, kapitein-bevelhebber
  • Goossens Leo, luitenant
  • Peeters August, luitenant-geneesheer
  • Franckx Jan, onderluitenant
  • Dogaer Jan, onderluitenant
  • Geens Frans, sergeant-majoor
  • Marck Pol, sergeant-schrijver
  • De Coster Jacques, sergeant-foerier
  • Van den Bergh Frans, sergeant
  • Cluytens Joost, sergeant
  • Cuypers Herman, sergeant
  • Crom Louis, sergeant
  • Albrechts Lodewijk, sergeant
  • Van Malderen Jean Baptist, sergeant

Welk materiaal had men toen ter beschikking?

De pompiers hadden één stoompomp en vier handpompen. Er was één haspel voor de stoompomp en vijf haspels voor de handpompen. Men had een twintigtal ladders van diverse lengten. Er was één wagen voor het vervoer van de manschappen. Er was één ladder van 18 m, één rookhelm, zestien bijlen en één wagen voor het vervoer van klein materieel. Het materiaal werd ook nog uitgebreid met een nieuwe reddingsladder (Portaladder). Er werd ook een ziekenkas opgericht voor de pompiers.

In 1904 waren er 14 branden in de stad van diverse aard. Het korps had toen 5 officieren en 54 manschappen. In 1906 waren er 9 branden geweest.

Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell